Dankzij een pot ontharingscrème lijkt eindelijk het laatste woord in een een tweehonderd jaar slepende discussie te zijn gesproken: een vleermuis zonder vleugelhaar is als een Air France Boeing zonder pitotbuizen.
Zou Leonardo da Vinci ook zoveel revolutionaire ontwerpen hebben getekend als hij nooit naar de dierenwereld had gekeken? Zonder aan het intellect van de man te twijfelen blijft het opvallend om te zien hoeveel ingenieurs zich ook nu nog laten inspireren door de uitvindingen van het meest onvermoeibare laboratorium ooit: de evolutie.
Bepantsering, de camera, het ontwerp van de fuseekogel: van legio menselijke uitvindingen bestaan al miljoenen jaren analoge ontwerpen die insekten beschermen tegen de buitenwereld, inktvissen helpen te zien en benen helpen te bewegen. Toch is deze inbreuk op Darwin's intellectueel eigendom nergens duidelijker dan in de luchtvaartindustrie.
Ver voor de uitvinding van breedband internet droomden mensen zoals Daedalus al van de mogelijkheid om de dictatuur van de zwaartekracht om de tuin te leiden. Hun inspiratiebron was altijd duidelijk: de gevleugelde dieren om hen heen.
Nachtvlucht
Talloze vogels, vliegende insekten en andere fladderaars zijn in de loop van de geschiedenis aan allerlei experimenten onderworpen om de geheimen van de vrije vlucht ook voor grondgebonden tweevoeters beschikbaar te maken, en het grootste raadsel was misschien wel de elegante nachtvlucht van vleermuizen. Al in de 18e eeuw hield het vermogen van deze dieren om in het pikkedonker zonder serieuze botsingen rond te vliegen wetenschappers van de straat.
Pas in 1938 werd duidelijk dat vleermuizen zich 's nachts met behulp van echo oriënteren, wat aansloot bij de eerdere observatie dat vleren met was in hun oren overal tegenaanvlogen, terwijl ze nauwelijks gehinderd werden door het afdekken van hun ogen. Hetzelfde principe van akoestische echolocatie helpt onderzeeërs bij het vermijden van Russen en rotsformaties op de zeebodem.
Tot die definitieve ontdekking van de geavanceerde vleermuisbiosonar hadden al meerdere wetenschappers geprobeerd om te bewijzen dat de dieren hun stuurkunst te danken hadden aan informatie over de luchtstromen die ze afleidden van de bewegingen van haartjes op hun vleugels. De vlerken van vleermuizen zijn namelijk voorzien van een speciaal type kleine haartjes, ondanks dat die geen enkel nut lijken te hebben voor bijvoorbeeld warmteretentie of andere handige functies.
Deegpasta
Een eigenwijze Italiaan die (niet) luisterde naar de naam Lazzaro Spallanzani testte al in 1794 of hij vleermuizen slechtere vliegers kon maken door hun vleugels in te smeren met een laagje deegpasta of vernis. Niet dus: de vleermuizen bleven capriolen uithalen zonder daarbij onzacht met obstakels in aanraking te komen.
Toch blijkt nu dat de donsachtige haartjes op de vleugels van vleermuizen wel degelijk helpen bij het controleren van vliegbewegingen. Biologen in Ohio namen een tube Veet-ontharingsoplossing mee naar het lab, en smeerden de vleugels van hun vliegende muizen ermee in om de haartjes er vanaf te halen, waarna ze de beesten loslieten in een hinderniskooi en keken hoe vaak ze tegen dingen aanvlogen.
Tot hun teleurstelling bleken de kale vleren net als na een 18e eeuwse deegpastabehandeling nog prima in staat om puur op echolocatie botsingen te voorkomen, maar zonder haartjes op hun vleugels moesten ze blijkbaar voorzichtiger vliegen: haarloze vleermuizen bleven gemiddeld 140 centimeter van obstakels weg, terwijl hun harige soortgenoten een veiligheidsmarge van 90 centimeter genoeg vonden. Bovendien vlogen de onthaarde dieren sneller en maakten ze wijdere bochten.
Crashes
De vleugelhaartjes blijken de dieren dan ook belangrijke informatie te geven over hun precieze luchtsnelheid, waardoor ze precies weten wanneer ze kritisch dicht in de buurt komen van het verliezen van draagvermogen – een situatie die menselijke piloten met ontzag 'stalling' noemen. Wanneer ze hun vleugelsensoren missen nemen de vleermuizen geen risico, en houden hun snelheid hoger om crashes ten gevolge van het verlies van lift te vermijden.
De vleermuizen doen het in dit geval beter dan de menselijke piloten van de fatale Air Francevlucht 447 die op 1 juni 2009 definitief van de radar verdween: ook die piloten hadden – in hun geval niet door deegpasta maar door ijsvorming in de pitotbuizen – geen betrouwbare informatie over hun luchtsnelheid. Als er een vleer in de cockpit had gezeten had hij het wel geweten: gewoon op de radar vertrouwen en flink gas bijgeven.